Waarheid en wijsheid in het nauw

Essay: wat er fout gaat in het politieke debat en hoe het beter kan

Deel 1: het probleem

Verslaafd aan sensatie

Zoals een heroïneverslaafde zijn shot belangrijker vindt dan zijn toekomst, dreigen wij in het debat de gevatte oneliner belangrijker te vinden dan een grondige analyse. Wat op de korte termijn ‘lekker’ is, is niet altijd goed voor je. In dit essay betoog ik dat politieke debatten te sterk gericht zijn op sensatie, entertainment en de korte termijn waardoor waarheid en wijsheid in het nauw komen.

Ik werk nu 12 jaar als trainer en coach in politieke debatvaardigheden. Met veel plezier heb ik trainingen gegeven zoals Van gelijk hebben naar gelijk krijgen. Er is veel interesse voor dit soort trainingen: wie wil er nou geen gelijk krijgen? Ik help mensen graag om hun uitdrukkingsvermogen te ontwikkelen. Toch knaagt er iets. Als het je lukt om gelijk te krijgen, héb je dan ook echt gelijk? Is gelijk krijgen de essentie van onze democratie? Wat is de rol van waarheid en wijsheid?

In mijn ideale debatcultuur is het zoeken naar waarheid en wijsheid het hoogste doel. Daartoe worden stellingen grondig onderbouwd, ideeën getest en belangen zorgvuldig tegen elkaar afgewogen. In zo’n debatcultuur staat het debat symbool voor vertrouwen in onze democratie en haar volksvertegenwoordigers: het debat als test van ideeën en zuurstof voor de democratie.

Helaas is dat niet vanzelfsprekend: er zitten perverse prikkels in het debat die leiden tot shortcut-gedrag. In dit essay onderzoek ik het belang van een integere debatcultuur en hoe je daar als politicus, journalist, debattrainer, gespreksleider of betrokken burger aan kunt bijdragen.

Debatteren om te winnen

Wanneer het gelijk krijgen en dus winnen van een debat het hoogste doel is dan doe je wat daar voor nodig is. Je kunt een debat heel makkelijk winnen met andere zaken dan met waarheid en wijsheid. Dat is een probleem en een perverse prikkel. Twee illustraties:

Pinguïns op de Noordpool: Een van de eerste keren dat ik hiermee geconfronteerd werd was tijdens een debattoernooi waar ik aan deelnam. In de halve finale werd gesproken over de Exxon Valdez, een olietanker die in 1989 gestrand was bij Alaska. Met een tranentrekkend betoog over duizenden met olie besmeurde pinguïns wist een van de sprekers de zaal voor zich te winnen. Pinguïns? Op de Noordpool? Dus niet! Die leven op het zuidelijk halfrond, maar het werkte wel. Ik vermoed dat de spreker het niet eens bewust deed. Wat mij vooral schokte was dat hij ermee weg kwam. Een debat winnen is geen garantie dat wat je zegt ook waar is.

Crooked Hillary: Iemand met ook zo’n pragmatische houding in het debat is Donald “alternative facts” Trump. Kijk bijvoorbeeld eens onderstaande analyse van de debatstijl van Donald Trump. In het filmpje wordt heel duidelijk uitgelegd wat Trump doet tijdens een debat en waarom het werkt. Het is niet de kwaliteit van zijn argumenten die zo goed werkt: zoals je ziet gebruikt Trump vaak angst en speelt hij in op woede. Angst is een krachtige emotie die onze ratio kan blokkeren: we willen van onze angst af en beschermd worden en daarom verlangen we naar krachtige daden. In een context van angst doet een sterke man het vaak goed in de peilingen. Met teksten als “no-one else will keep you safe” speelde Trump de sterke-man-kaart. Hij profileerde zich als succesvolle, dominante kracht die een oplossing kon bieden voor de angsten die hij zelf gevoed heeft. Met pesterijen zoals “Low energy Jeb Bush”, “Croocked Hillary” of “Little Marco Rubio” zette hij zijn tegenstanders aan de kant.

Dialectiek

Deze twee voorbeelden staan lijnrecht tegenover de principes van wat de Oude Grieken dialectiek noemden. In dialectiek zoeken gesprekspartners op een oprechte manier naar de waarheid. Nare discussietrucs, oppervlakkige oneliners en rattenstreken worden gemeden. Het doel is om te begrijpen hoe de wereld werkt en op basis daarvan de meest wijze en rationele keuzes te maken. Je slijpt je eigen ideeën aan die van de ander. Samen word je wijzer. Dialectiek is: door het gesprek zoeken naar de waarheid. Je raadt dus al: Ik houd van dialectiek in het debat.

Maar er is ook eristiek

Bij dialectiek zoeken twee partijen van een debat gezamenlijk naar de waarheid door een kritische analyse van de argumenten. In de politiek zijn er echter nooit maar twee partijen; er zijn er op zijn minst drie. Naast voor- en tegenstanders van een onderwerp, is er ook een burger die overtuigd moet worden. Je moet de gunst van de burger voor je winnen.

Door het bestaan van zo’n derde partij kan dialectiek plaatsmaken voor eristiek. Met het woord eristiek doelde Plato op retorische technieken waarbij winnen belangrijker is dan waarheid. Het woord eristiek komt van Eris: de Griekse god van chaos en streven. Eristiek gaat over debatten winnen en de ander pootje lichten. Het gaat dus om gelijk krijgen en niet per se om gelijk hebben. In eristiek is waarheid slechts één van je instrumenten om gelijk mee te kunnen krijgen. Maar als gelijk krijgen je doel is, kun je ook gebruik maken van andere instrumenten.

Van welke instrumenten bedient de eristiek zich nog meer? Denk aan sensatie verhogende technieken zoals claptraps (hoe krijg ik applaus?), framing, marketingtrucs (zoals de 6 principes van Cialdini), retorische stijlfiguren die de waarheid verhullen en inspelen op emotie. Maar het kan ook erger met onwaarheden, leugens, drogredenen, angst zaaien, misleiding, manipulatie etc. Er wordt gekozen voor de kortste route naar winst in het debat.

Deel 2: Waarom eristiek zo schadelijk is

In het politieke debat zie ik veel voorbeelden waarin gelijk krijgen belangrijker wordt geacht dan gelijk hebben. En op het eerste gezicht lijkt dat niet zo gek: politici winnen natuurlijk graag de verkiezingen en behalen graag het maximale resultaat voor de mensen die ze vertegenwoordigen. Wat is er mis mee om te willen winnen voor je achterban?

Tragedy of the commons

Het probleem van deze mentaliteit is dat ze getuigt van een te smalle interpretatie van democratie. Gaat democratie werkelijk alleen om winnaars en verliezers? Bij verkiezingen misschien wel, maar democratie is veel meer dan verkiezingen. Gaat democratie ook niet over het versoepelen van besluitvormingsprocessen, oplossen van problemen en conflicten en het blijven verbeteren van onze samenleving?

Het probleem is dat angst zaaien en boosheid creëren enkel op de korte termijn kan werken. Werkt het ook op de lange termijn? Simpel gezegd: nee. Als iemand angst zaait, leugens verspreidt of drogredenen toepast én het werkt, dan zullen anderen het ook gaan doen. Zo creëren we een race to the bottom! Dit wordt ook wel de Tragedy of the Commons genoemd:

Individueel en op korte termijn heb je dus voordeel bij je gedrag, maar op lange termijn ondervindt het collectief er grote nadelen van. De oorspronkelijke Tragedy of the Commons gaat over een gemeenschappelijke weide (the commons) die door overbegrazing door kuddes van individuele boeren uiteindelijk uitgeput raakt en voor niemand meer bruikbaar is. In het debat is er ook een gemeenschappelijk belang (commons), namelijk de geloofwaardigheid van en dus het vertrouwen in de democratie. Goede debatten helpen bestuurders om beter gefundeerde besluiten te nemen. Wanneer individuele politici eristiek bedrijven (zoals wanneer ze worden opgejaagd door op sensatie gerichte debatformats), doen ze afbreuk aan deze commons.

Een sensatiegerichte debatcultuur waarin winnen het hoogste goed is, vormt zo een Tragedy of the Commons voor onze debatcultuur en staat daarmee soepele besluitvorming in de weg. Kijk wederom naar de VS waar om de haverklap een shut down van de overheid plaatsvindt. Dat zijn pyrrusoverwinningen; je eigen parochie vindt het geweldig als je de ander pootje licht, maar de rest haakt af! Je krijgt dan een toneelstuk waar veel burgers doorheen zullen prikken.

Polarisatie-escalatie

Een andere reden waarom wij onszelf met een eristieke debatcultuur in de voet schieten is iets wat psychologen al lang weten: als alleen de meerderheid zijn zin krijgt, leidt dat tot polarisatie.

Daarom hebben psychologen uit Zuid-Afrika een besluitvormingsmethode ontwikkeld die zij Deep Democracy noemen. Zie hier een introductie:

De naam van de methode is niet zomaar gekozen. De smalle interpretatie van onze democratie houdt geen rekening met de minderheid: de meeste stemmen gelden is het devies. Deep Democracy gaat uit van een bredere interpretatie van democratie waarin alle stemmen meedoen.

Deep Democracy is een complexe methode, maar in het kort komt het erop neer dat je ernaar streeft om bij gezamenlijke besluitvormingsprocessen altijd de minderheid te blijven betrekken. Waarom? Simpelweg omdat een minderheid die zich niet gehoord en betrokken voelt in verzet zal komen. In het begin is het verzet misschien nog onschuldig; denk aan satire of gemopper op familiefeestjes, maar als het niet betrekken van een minderheid aanhoudt zal het escaleren tot ontwrichtende vormen van verzet zoals protest, stakingen en uiteindelijk zelfs oorlog.

Het niet betrekken van een minderheid leidt op lange termijn ook tot een gepolariseerd debat. Partijen worden dan bij voorbaat gediskwalificeerd, het wordt onmogelijk om bruggen te slaan, er is geen gezamenlijk kader meer voor wat geldt als de waarheid en het is onmogelijk om grote problemen van de toekomst op te lossen.

Een goed werkend democratisch proces zou als doel moeten hebben om ernstige vormen van polarisatie en maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. Daarom hebben we belang bij een debatcultuur waarin we het oneens mogen zijn, maar elkaar wel blijven betrekken en naar elkaar blijven luisteren.

De maatschappij als huwelijk

Waarom is iets dat volstrekt logisch is in normaal sociaal verkeer toch zo ingewikkeld in de politiek? Het soepel oplossen van een politiek meningsverschil is in essentie niet veel anders dan het soepel oplossen van een meningsverschil tussen twee mensen. Bijvoorbeeld: ik ben gelukkig getrouwd. Mijn vrouw en ik delen een huis en een kind en we hebben écht het beste met elkaar voor… En toch willen we niet altijd hetzelfde. Wat zou er gebeuren als wij beiden eristiek zouden bedrijven? Als wij het maximale resultaat voor onszelf zouden willen halen, zonder de waarheid en elkaars welzijn in ogenschouw te nemen? Als ik mijn zin ga doordrijven en zij ook, dan zal iedereen die ooit een relatie heeft gehad beamen: daar betaal je later een prijs voor. Je hoeft geen therapeut te zijn om te zien dat ons huwelijk dan een kort leven beschoren zou zijn. Je houdt dus een beetje rekening met elkaar. Het is geven en nemen.

Zo ook in onze maatschappij. We hebben een debatcultuur nodig die ons scherp en inhoudelijk laat debatteren zonder dat dat leidt tot polarisatie. Een debatcultuur waarin integer gedebatteerd wordt is essentieel voor een goed werkende democratie. Nu is de vraag: hoe komen we daar?

Deel 3: Vijf principes voor een integer debat

EEN: Weg met de achterbanpolitiek

Het begint bij de vraag: wie vertegenwoordigen politici eigenlijk en handelen ze ook echt in hun belang? Je zou kunnen zeggen dat er een brede en een smalle interpretatie is van politiek. De smalle interpretatie is eenvoudigweg opkomen voor de mensen die op je gestemd hebben. Maar als iedereen alleen voor zijn eigen doelgroep gaat, versterkt dat het wantrouwen in politiek. Het principe van de Tragedy of the Commons laat heel mooi zien hoe het collectief verliest als iedereen alleen voor diens eigenbelang opkomt.

Er is ook een brede interpretatie mogelijk waarbij politici debatteren vanuit een visie die maatschappij breed is. Eén manier om dat te doen is door de Veil of Ignorance van John Rawls:

Rawls stelt de vraag: als je nog niet weet als wie je geboren wordt in een maatschappij, hoe zou je de maatschappij dán inrichten? Je moet dan dus rekening houden met élke groep in de maatschappij. Je weet tenslotte nog niet of je geboren gaat worden met goede gezondheid in een mooie villa in Rozendaal of dat je belandt in een rolstoel in Amsterdam-Noord.

Het eerste principe voor een goed debat is daarom: debatteer niet vanuit een doelgroep, maar vanuit een maatschappijvisie. Dat kan zijn vanuit liberaal, conservatief, socialistisch, duurzaamheidsdenken of een andere visie.

TWEE: Debatteren is ook luisteren

Een paar jaar geleden liep ik over een markt waar op een podium een auto stond vol met pingpongballen. Als ik goed gokte hoeveel pingpongballen er in de auto zaten was de auto van mij. Helaas zat mijn gok er ver naast. Maar als je veel mensen laat gokken blijkt het gemiddelde van die gokken vaak zeer dicht tegen het werkelijke aantal pingpongballen aan te zitten. Dit is het effect van de Wisdom of the Crowd: samen benaderen we het juiste antwoord.

Kun je deze methode ook vertalen naar de politiek? Aantallen ping-pongballen gokken kan iedereen wel een klein beetje. Maar wat als je ergens wel verstand van moet hebben om er iets zinnigs over te kunnen zeggen? Voor complexe materie blijkt de Wisdom of the Crowd-methode niet goed te werken. Politieke besluitvorming is vaak complex en politieke controverses zijn niet plat te slaan tot één eenduidig te beantwoorden vraagstuk. Wat te denken van een discussie over migratie, klimaatverandering of de Brexit? Zeg het maar!

Toch is er een manier om Wisdom of the Crowd ook politiek te benutten. Voor complexe problemen blijkt een grote groep mensen nog steeds tot optimale oplossingen te kunnen komen wanneer ze hun gokken mogen uitwisselen en aan elkaar aanpassen. Zie dit filmpje voor een fascinerende uitleg van dit principe:

Uitwisseling is dus belangrijk. Maar nu komt het: er is een grote ‘tenzij’. Wanneer sommige stemmen in die uitwisseling dominanter zijn dan anderen, dan werkt het systeem tóch niet. Dominante stemmen buigen het gemiddelde af van de juiste uitkomst.

Kortom, Wisdom of the Crowds werkt wanneer er uitwisseling plaatsvindt op basis van gelijkwaardigheid. Je moet iedereen blijven betrekken om tot verstandige uitkomsten te komen. Denk nu even aan onze debatcultuur met “opiniemakers” en “deskundologen”, een cultuur waarin dominante politici en mediafiguren het debat naar zich toe trekken. Dat is een probleem. Met complexe zaken zoals de Brexit is het van enorm belang dat we inhoudelijk debatteren, zodat er een afgewogen keuze zal zijn. Hoor en wederhoor, alle stemmen willen meenemen is essentieel.

DRIE: Posities zijn té makkelijk

In hun beroemde boek Getting to Yes schetsen Roger Fisher, William Ury & Bruce Patton hoe je enerzijds kunt onderhandelen over posities en anderzijds over de onderliggende belangen.

Hun uitgangspunt is dat een positie niet hetzelfde is als het onderliggende belang. Stel je het volgende waargebeurde verhaal voor: twee mensen willen samen op vakantie, maar de een wil naar IJsland en de ander naar Spanje. De discussie verloopt als volgt: “Ik wil naar IJsland, dat is geweldig!”, “Nee, IJsland is stom, ik wil naar Spanje”… enz. Dit is een positioneel debat. De relevante vraag om te stellen is: waarom neem je deze positie in? Welk belang zit daarachter? Nu blijkt: “Ik wil naar IJsland want daar kun je mooie foto’s maken” en “Ik wil naar Spanje, want daar is het lekker warm”. Het punt van Getting to Yes is dat posities vaak onverenigbaar zijn, maar onderliggende belangen zijn dat zéker niet! De twee vakantiegangers besloten daarom een bestemming te kiezen waar het lekker warm is én waar je mooie foto’s kunt maken: de Grand Canyon. Zie hier een ander voorbeeld: 

Van politici wordt verwacht dat zij een positie innemen; dan heb je wat te kiezen! Maar welke zorg proberen zij met hun positie op te lossen? Zijn er ook andere manieren om tegemoet te komen aan die zorg? Wanneer een debat alleen maar positioneel verloopt is er vaak weinig mogelijk en is een smalle interpretatie van democratie onvermijdelijk. De meerderheid gaat er met de buit vandoor en de minderheid blijft verslagen achter. Door eerlijk te zijn over het belang achter je positie open je een deur naar mogelijkheden die traditionele tegenstellingen te boven komen. Juist een eristieke debatcultuur staat deze mogelijkheid in de weg.

Dat je het met elkaar oneens bent betekent zeker niet dat je elkaar de tent uit hoeft te vechten. Op fundamenteel niveau delen we veel zorgen eigenlijk wel. Hier spelen de media echter ook een rol want wanneer je als politicus slechts 30 seconden hebt om een punt te maken, dan moet je haast wel positioneel zijn. Voor diepgang, onderzoek naar elkaars standpunten en herkenning van elkaars zorgen heb je dan geen ruimte. Het ergste is vervolgens de vraag aan de deskundigen: “Wie heeft dit debat gewonnen?” Ik zou zelf dolgraag weer een heerlijk avondje politiek debat willen zien tussen twee politici die elkaar urenlang met diepgang aan de tand mogen voelen over elkaars maatschappijvisie, waarin verschillen én overeenkomsten er mogen zijn.

VIER: Precisie vereist

Hoe meer je weet, hoe meer je weet dat je niks weet; aldus Aristoteles. Hoeveel snap jij nu eigenlijk echt van onze maatschappij? Hoeveel van je meningen zijn echt grondig onderbouwd? Kijk bijvoorbeeld eens naar deze geweldige Dilbert-cartoon:


“It takes so much work to get informed that it defeats the whole point of having an opinion in the first place.” Hoe belangrijk is het überhaupt om een mening te hebben? Gaat het niet veel meer om de onderliggende zorgen en argumenten dan om de mening zelf?

We hebben vaak sterke meningen over complexe onderwerpen zoals buitenlandbeleid, gezondheidszorg of macro-economie. In een fascinerend onderzoek vroeg Philip Fernbach aan deelnemers om zichzelf een score te geven op hoe goed ze een bepaald onderwerp begrepen waarover ze een mening hadden (bijvoorbeeld sancties tegen Iran). Vervolgens vroeg hij hen om in detail uit te leggen hoe hun mening in de praktijk zou uitwerken. Daarna moesten ze zichzelf nogmaals een score geven van hoe goed ze het onderwerp begrepen. Wat bleek? Niet alleen scoorden de deelnemers zichzelf lager toen ze zich realiseerden dat ze veel minder van het onderwerp begrepen dan gedacht, ook werd hun mening genuanceerder! Daniel Kahneman (Nobelprijswinnend psycholoog die veel onderzoek heeft gedaan naar denkfouten) noemt dit de Illusion of explanatory depth. Wanneer je gedwongen wordt om te redeneren met precisie dan oogst je dus nuance. Maar juist in de huidige debatcultuur wordt vaak gevraagd om te debatteren op hoofdlijnen. Daar moeten we dus mee stoppen. Liever een ingekaderd en specifiek debat dan een nietszeggend en ongenuanceerd debat op hoofdlijnen.

Een voorbeeld: onlangs deed Thierry Baudet de volgende uitspraak: “Kwaadwillende, agressieve elementen worden ons maatschappelijk lichaam in ongehoorde aantallen binnengeloodst, en de werkelijke toedracht en gevolgen worden verdoezeld.” Je kunt daar meteen een mening over hebben, maar het probleem van zo’n uitspraak is dat hij buitengewoon onprecies is. Daarop moet je dus doorvragen voor je conclusies trekt: “Meneer Baudet, wat bedoelt u nu specifiek? Wie bedoelt u met kwaadwillende, agressieve elementen? Over welke gevolgen hebt u het specifiek en hoe zijn die precies verdoezeld?”

Om scherp te debatteren moet je niet te snel conclusies trekken, maar doorvragen met precisie. Het debat zou een ode aan de twijfel moeten zijn; aan het juist nog niet zeker weten; aan onderzoek en nieuwsgierigheid. Integer debatteren vraag om iets verschrikkelijk moeilijks: de moed om je eigen mening in twijfel te trekken.

VIJF: bestrijd vuur niet met vuur

Een goed debat draait altijd om argumenten. Met behulp van argumenten maak je een afweging van zorgen die spelen; zoek je naar oplossingen voor problemen; test je ideeën en creëer je transparantie voor de kiezer. Het doel is om op een volwassen manier om te gaan met meningsverschillen.

De vijand van een goed debat is niet je tegenstander; de vijand van een goed debat is de drogreden. Er bestaan talloze drogredenen, maar ze hebben gemeenschappelijk dat ze worden toegepast om af te leiden van de inhoudelijke argumenten.

Jaren geleden stelde Twan Huys als openingsvraag aan PVDA lijsttrekker Job Cohen:

“Een casinowit bij de bakker, wat kost dat?” De vraag van Huys was gericht op sensatie en niet gericht op de vraag achter de vraag hoeveel Cohen van de economie weet, of eigenlijk: welke plannen hij heeft voor de economie. Job Cohen bracht het er niet best van af, maar de echte verliezer hier was de kiezer.

De kunst van goed debatteren is dat je je niet laat verleiden door de ander om vals spel mee te spelen. Drogredenen werken vooral goed als de andere partij er niet mee om kan gaan. Dit vraagt echter om een vergevorderde debatintelligentie die zelfs de meest door de wol geverfde politici lang niet altijd bezitten.

Hoe ga je bijvoorbeeld om met de eristieke debatstijl van Donald Trump? De grote valkuil is dat je je laat verleiden om het gemene spel gaan meespelen. In het geval van Trump gebeurde dat ook. Een van de dieptepunten van de afgelopen Amerikaanse presidentsverkiezingen was de “small-hands” discussie. Marco Rubio probeerde in een nogal pijnlijke episode terug te slaan door Trump te beledigen met zijn kleine handen:

Het gevolg was dat Rubio wegzakte in de peilingen en Donald Trump profiteerde. Je kunt een vos niet verslaan met zijn eigen streken: door mee te gaan met het spel van Trump raakte de boodschap van Rubio ondergesneeuwd. Het ergste van dit alles: de inhoud ging hopeloos verloren.

Bij een integere debatcultuur hoort dus ook dat je jezelf onderwijst in de kunst van het debat. Dat je drogredenen leert herkennen en dat je leert hoe je een debat weer terug kunt brengen naar de inhoud. Een drogreden ontmasker je het best door aan het publiek goed uit te leggen wat er gebeurt en waarom dat irrelevant is voor de discussie. Vervolgens moet je natuurlijk niet blijven hangen in deze meta-analyse, maar terugkeren naar de inhoud. In dit filmpje vind je een mooi schoolvoorbeeld van hoe het moet (vanaf minuut 4.50):

Wanneer goed weerlegd blijkt een drogreden een enorm zwaktebod. Laat je daarom nooit verleiden om mee te gaan in het spel van de ander. Wanneer je scherp en inhoudelijk blijft, ontmaskert de ander zichzelf vanzelf. Bestrijd vuur niet met vuur.

Aanbevelingen voor een integer debat

Eristiek werkt natuurlijk alleen wanneer politici er mee weg kunnen komen. Wanneer wij de perverse prikkel in het debat doorzien en niet accepteren dat de diepgang in het debat ontbreekt, zal de Nederlandse debatcultuur vanzelf kantelen. Dit vraagt discipline, afkicken van sensatieverslaving en zicht houden op de lange termijn. Of je nu werkt als politicus, journalist, debattrainer of gespreksleider. Met deze zeven aanbevelingen kun je bijdragen aan een meer integer debat met minder sensatie en meer inhoud:

1. Wijsheid in plaats van winnaars

Vraag na een debat nooit wie er gewonnen heeft. Vraag wat we geleerd hebben.

2. Concreet in plaats van hoofdlijnen

Dring aan op concrete debatonderwerpen in plaats van debatten op hoofdlijnen.

3. Zorgen in plaats van posities

Vraag naar de onderliggende zorg in plaats van de positie die iemand inneemt.

4. Uitleg in plaats van redenen

Maak van het hoe een centrale vraag. Vraag niet naar redenen. Vraag om uitleg.

5. Maatschappij breed in plaats van achterbanpolitiek

Weg met de achterbanpolitiek. Vraag ook naar iemands plannen voor andere groepen.

6. Alle perspectieven in plaats van meerderheid

Luister naar alle perspectieven. Betrek ook de minderheid bij besluitvorming.

7. Argumentatie in plaats van entertainment

Beoordeel een betoog niet op de entertainmentwaarde maar op de kwaliteit van de argumenten

Politici worden sufgetraind om gelijk te kunnen krijgen. Maar gelijk krijgen is niet hetzelfde als gelijk hebben en entertainment is niet hetzelfde als wijsheid. Wanneer je de kunst van het gelijk krijgen beheerst heb je een grote verantwoordelijkheid. Het debat heeft een belangrijke rol in democratische besluitvormingsprocessen en een uitholling van het debat lijkt mij ongewenst. Dit vraagt van politici dat zij integer debatteren, van debattrainers dat zij onderwijzen in dialectiek, van gespreksleiders dat zij zorgen voor formats die leiden tot diepgang, van journalisten dat zij vragen naar specifieke argumenten en van betrokken burgers dat zij een betoog beoordelen op de inhoud. Kortom, laten we het debat niet gebruiken als entertainment, maar als instrument om tot wijsheid en waarheid te komen voor… een betere wereld.